Werken in de ouderenzorg is nooit saai (18)

Help, Help!

Ik sta voor de deur van mevrouw Jansen en ik vraag mij af hoe ik haar vandaag zal aantreffen. Ik adem diep in en schud de hectiek van de ochtend van mij af. Ik ben benieuwd in welke wereld zij vandaag wakker wordt of ze überhaupt wakker wil worden.

Ik open de deur en loop rustig naar binnen. Mevrouw Jansen ligt in haar bed met de ogen stijf dicht Goedemorgen mevrouw Jansen, ik trek de gordijnen langzaam open zodat zij merkt dat het ochtend is. Het licht stroomt de kamer in en het vroege ochtend zonnetje schijnt op haar fragiele gezicht. Ik loop op het bed af en begroet haar nogmaals met “goedemorgen mevrouw Jansen”.

Haar ogen schieten open en kijken mij indringend aan “Ga weg” roept ze. Na deze uitspraak weet ik dat mevrouw Jansen zich niet goed/fijn voelt. Dit alles komt door de vervelende ziekte DEMENTIE. Ik ga op mijn hurken zitten en probeer contact te maken met mevrouw Jansen. Ik kijk haar aan en zeg vervolgens met zachte stem “goedemorgen, mevrouw Jansen, ik wil u graag wassen en aankleden”.

Zij kijkt mij met twee boze ogen aan en roept dan boos ZUSTER HENNIE , GA WEG. He, ik hoor mijn naam, er is gelukkig wel herkenning. Ik geef haar vervolgens een compliment; ja, mevrouw Jansen, ik ben inderdaad zuster Hennie, en ik wil u graag wassen en aankleden. Ze stopt vervolgens met het “ga weg ‘roepen. Ik zeg nogmaals mevrouw Jansen ik wil u graag wassen en aankleden. Ik probeer het dekbed weg te halen, maar mevrouw Jansen doet haar ogen dicht, en houdt haar lippen stijf op elkaar geperst. Mevrouw Jansen ik haal het dekbed nu weg, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan want mevrouw Jansen houdt haar dekbed in een soort van wurggreep vast. Er gaat nu van alles door mijn hoofd, alle theorie die ik destijds heb opgedaan en geleerd in mijn opleiding, conclusie: in het eggie is alles anders.

Maar ik weet inmiddels ook uit ervaring dat als mevrouw Jansen eenmaal gewassen en aangekleed is en comfortabel in haar eigen stoel zit, zij een fijne dag kan hebben in de gezamenlijke huiskamer met de andere bewoners van ons huis. Vervolgens probeer ik de handen van mevrouw Jansen voorzichtig los te maken van het dekbed maar ineens begint zij heel hard te roepen “HELP IK WORD VERMOORD”, Ik schrik van deze reactie. Ik word niet vrolijk van het feit dat iemand loopt te gillen dat ik haar wil vermoorden, maar ik weet dat deze vreselijke ziekte ervoor zorgt dat mevrouw Jansen deze woorden uitschreeuwt.

Ik zet door, ondanks dat dit zo tegen mijn gevoel ingaat. Ik heb mij voorgenomen om alle reacties van mevrouw Jansen te bevestigen ik probeer op deze manier contact te maken. Dus ik reageer door te zeggen” wat goed dat u aangeeft dat u nog niet uit bed wil”. Mevrouw Jansen doet haar ogen open en twee verwilderde ogen kijken mij aan, ik heb weer contact. Terwijl zij mij indringend aankijkt help ik haar overeind in bed en zet haar op de rand van het bed. Ze kijkt mij boos aan, en roept vervolgens “HELP”.

Ik probeer mijn kennis van dementie wederom toe te passen dit wil zeggen luisteren, bevestigen, korte zinnen en geruststellen. Ik zeg wederom tegen mevrouw Jansen dat ik het fijn vind dat ze alles goed aangeeft. Ik laat mevrouw Jansen even bijkomen en vraag dan of ze wil gaan staan. Ik wacht heel even en kijk of de boodschap binnenkomt.

Ik ben zelf licht gespannen, en ben benieuwd op haar reactie. Gaat ze staan of blijft ze zitten?? Mevrouw Jansen ik ga u helpen met opstaan. Ik ondersteun haar bij het gaan staan en begeleid haar door te zeggen hoe en wat ze moet doen. Eenmaal achter de rollator begint mevrouw Jansen te roepen “HELP, IK VAL”. Ik pas mijn kennis van dementie weer toe door alles positief om te draaien. Wat goed dat u aan geeft dat u denkt dat u gaat vallen, maar dat laten we niet gebeuren want ik ben bij u. Mevrouw Jansen heeft haar ogen weer dicht en haar lippen stijf op elkaar. Ik ben inmiddels blij dat mevrouw Jansen staat, ik weet ook dat ik nu niet moet gaan pushen, geduld is in deze een schone zaak. Het vergt heel veel energie en geduld van mij om haar zover te krijgen. Ondertussen komt er ook nog een opvlieger langs, het zweet staat op mijn voorhoofd, Mevrouw Jansen heeft hier geen weet van.

Ik zeg vervolgens met een neutrale stem, ga maar lopen. ” Ik help u”, “Ik hou u vast en loop achter u”, Ik sta achter haar en heb mijn handen onder haar oksels. Mijn vingers gespreid en ligt aangedrukt in de hoop dat zij mijn handen goed voelt, dit doe ik om haar een veilig gevoel te geven. We lopen heel langzaam naar de badkamer. Ook hier wordt mijn geduld op de proef gesteld. Het zijn mega kleine schuivelpasjes. Ook dit is een kernmerk van dementie.

Eenmaal in de douche help ik haar met uitkleden. Tijdens het wassen begint ze opeens enorm hard te gillen en te roepen.” AU, U DOET MIJ PIJN”. Ik zeg wederom tegen haar wat goed dat u zegt dat u pijn heeft. Ik vraag aan haar “Waar doet het pijn”? “Kunt u het aanwijzen”? Ze wijst met haar vinger een plek aan op haar arm. Ik maak een cirkel om de plek die zij aanwijst. “Doet het hier pijn”? Ze kijkt mij aan en zegt dan, “nee, zuster, hier”. Ik heb weer contact. Twee dankbare ogen kijken mij aan, ik wrijf heel zachtjes over de plek die zij aanwijst. Ik zie niets, geen rode plek, geen schram, niets. Soms weet ik ook even niet wat ik moet zeggen of moet doen bij zo’n situatie, ik probeer er dan gewoon te zijn voor mevrouw Jansen. En dan ineens is de pijn weg en gaan we door met het aandoen van de kleding. Ik wil u een shirt aandoen en hou het shirt vervolgens voor u, mevrouw Jansen reageert niet dus ik pak haar arm om deze door het armsgat heen te doen. Vanuit het niets begint mevrouw Jansen te roepen ” HELP, IK WORD VERMOORD”. Ik schrik toch weer enigszins van deze reactie.

Het enige wat ik kan doen is haar zo goed mogelijke zorg geven, maar dat is op dit soort moment moeilijk, ik kan namelijk niet in haar hoofd kijken. En zo van het ene op het andere moment heb ik weer contact met mevrouw Jansen. We gaan verder waar we waren gebleven namelijk aankleden. Ik vraag welke schoenen ze graag aan wil vandaag. Ik laat 2 verschillende schoenen zien. De ogen gaan weer open en zij kiest voor de zwarte schoenen. Eigenlijk wist ik dit al, want de zwarte schoenen met hak zijn de lievelingsschoenen van mevrouw Jansen. Ik hoop tevens dat dit weer betekent dat ik contact kan maken met mevrouw Jansen. Mevrouw Jansen is inmiddels aangekleed en vanuit het niets komt de opmerking “zuster, ik heb het koud”. Ik complimenteer mevrouw Jansen met het feit dat zij dat zelf aangeeft. “Wilt u een vest aan”? “Ja zuster, antwoordt ze”.

Als we de badkamer uitlopen begint ze opeens weer te roepen. ” HELP, IK VAL”. Aahh dat is jammer, ik had zo gehoopt dat dit over was maar helaas. Ik zeg wederom tegen mevrouw Jansen dat het goed is dat ze dit aangeeft.” Ik ga u helpen door achter u te lopen en ik hou u vast”. Ik leg mijn handen wederom onder haar oksels in de hoop dat dit een veilig gevoel geeft. Ze loopt naar haar stoel en als ze zit, ga ik op mijn hurken voor haar zitten en ik leg mijn handen op haar knieën. Ik vraag aan haar of ze lekker in haar stoel zit. Er verschijnt een glimlach op haar gezicht en ze antwoord met ja zuster.

Dat is wat mevrouw Jansen op dit moment voelt, en ik weet die mooie glimlach, die is, dit keer voor mij bedoeld. En daarom werk ik in de zorg.

De afspraken hoe wij met mevrouw Jansen om moeten gaan worden steeds bijgesteld. Er zijn nu alweer andere omgangsregels ingesteld om zo aan mevrouw Jansen de juiste zorg te geven die bij haar passen. Dit maakt ons vak ook zo mooi. Je blijft als zorg kijken en nadenken en uitproberen om zo goed mogelijke zorg te geven. Dit doen wij samen met GGZ en een gespecialiseerde ouderenarts.

Heeft u hier vragen over?

Agenda

Bekijk alles

Tip van Hanzeheerd

Klik op een agenda of nieuwsitem om meer te lezen